BAASROODSE STRATEN

DRIEHUIZEN


De straat Driehuizen maakt deel uit van één van de oudste straten van Baasrode; de heerbaan Dendermonde-Mechelen. Ze situeert zich tussen het einde van de Sint-Ursmarusstraat tot aan de Theo Vermijlenstraat. Het gebied bestond uit weide en grasland, want de straat was zeer overstromingsgevoelig door de aanwezigheid van de Zwarte beek en de Schelde. Een aarden hoofd moest de oever beschermen tegen erosie. In de 18de eeuw verdubbelde de bevolking van Baasrode om 2.000 personen te bereiken. Verschillende nieuwe wijken zagen toen het licht, waaronder de Drie Huizekens. Een reeks kleine vissershuisjes werd toen gesticht op de grond van de heer van Baasrode, geprand tussen de straat en de Zwarte Beek. Ze bevonden zich vlak voor het kunstmatig aangelegd aarden hoofd in de Schelde, dat als aanlegplaats voor de vissersbootjes kon dienen.


De wijk groeide snel. Aannemelijk werden er eerst 3 huisjes gebouwd, tegen 1748 stonden er 5, omstreeks 1777 reeds 9 en in 1841 maar liefst 36, waaronder 14 huisjes aan de overkant van de straat (op de smalle strook grond tussen de baan en de Schelde). Voor de uitvoering van het Sigmaplan in 1980 werd deze laatste huizenrij gesloopt. Nu staan er nog 34 huizen en flatgebouwen. Om het water te weren uit de huizen, zijn vele huizen nog beveiligd met een schof; twee gleuven in de muur, langs weerszijden van het deurgat, waarin een plank kon geschoven worden. Onder de bewoners van deze wijk vonden we de telgen van de belangrijkste vissersfamilies (en palinghandelaars) terug; Van Gaever, Van Cleempoel, Collier, Verheyen, enz. De meeste andere inwoners verdienden de kost als schipper of scheepswerker. Er was immers ook lang een scheepswerfje gevestigd aan het kunstmatig aangelegd hoofd. Men noemde deze in de 19de eeuw het capiteintje. Scheepsbouwers van dienst waren Jan Van Eetvelde en later Pieter-Jan De Landtsheer, die ook een herberg aan de Driehuizen uitbaatte. Er werden hoofdzakelijk binnenschepen hersteld, zoals in 1846 nog een otterschip van 53 ton. Na 1852 werd de kleine scheepswerf gehuurd door de werf Van Damme, later zou ze verdwijnen.


Een vismijn was lange tijd gelegen aan herbergen ‘de Zalm’ en ‘de Steur’. Visleurders brachten de vis massaal naar de omstreken. Na de Belgische Revolutie nam het aantal vissers sterk af, van 23 in 1829 naar slechts 8 in 1850. Daarna leefde de visvangst terug op en omstreeks 1880 telde de gemeente opnieuw 30 vissers. Op het einde van de negentiende eeuw toe verdween de Scheldevisserij en enkele jaren vóór de Eerste Wereldoorlog was het uit met vissen. De fabrieken bedorven de waters van Dender en Schelde. Vele inwoners van de wijk Drie Huizen legden zich toe op een carrière van schipper of vishandelaar.

 

In 1891 werd een afwateringssluis aangelegd aan het Meirgat om de vele overstromingen van de Zwarte Beek te beperken. Het volgende jaar werd ook een openbare waterpomp aan de Driehuizen geïnstalleerd. De beek zelf bleef nog lang een zorgenkind. Allerlei fabriekswaters maakten dat de beek in 1909 donkergrijze bedorvene wateren voortstuwde, met een verpestenden geur tot gevolg. Een deel van de Zwarte Beek aan de Driehuizen werd in 1911 gedempt, maar de meeste aangelanden moesten wachten tot de jaren 1970, wanneer de hele beek verlegd en overwelfd werd.

Een zicht op een deel van de Drie Huizen, met in de verte het begin van de dorpskom. Aan de linkerkant bevindt zich de houtzagerij van de scheepswerf Van Praet. Ca. 1910.

Een zicht op de Drie Huizen en de Scheldeoever omstreeks 1902. Rechts merken we enkele botters op en in de verte zijn de scheepswerven zichtbaar. Schilderij van Ferdinand Willaert, bewaard in de Stedelijke Musea Sint-Niklaas.

De kleine scheepswerf 't Capiteintje aan de visserswijk Driehuizen in 1823. Rechts zien we de Theodoor Vermijlenstraat vertrekken. Tegenover de werd bevond zich herberg 't Vissershuis. (Rijksarchief Gent)